Op vakantie met je demente moeder

Journaliste Ingrid Spelt ging samen met haar twee zonen (19, 22) en haar moeder (bijna 90) op vakantie naar Kroatië. Gezellig! Ook als je moeder al tien jaar alzheimer heeft? Jazeker! Soms was het zwaar, maar vooral bijzonder. “Ik glimlach om al die grappige en ontroerende momenten.”

Voordat het zover is

“Overmorgen gaan we op vakantie, mam.” Eerder zeg ik het niet. Anders word ik knettergek van het continue vragen wie de kat dan eten geeft. Want vreemd genoeg onthoudt ze dat weer wel. Mijn moeder woont – na twee jaar beneden ons in een mantelzorgproject – tegenwoordig om de hoek in het verzorgingshuis.

Ik probeer haar gerust te stellen: “De verzorgers die jou helpen, zorgen in de vakantie voor Skippy”, Bij het woord ‘verzorgers’ kijkt ze me niet-begrijpend aan. Bij ‘de meiden van de huiskamer’ gaat ook geen belletje rinkelen. “Ze hebben het vaker gedaan, weet je nog”, zeg ik, een lichte irritatie onderdrukkend als het ‘probleem’ voor de zoveelste keer aan bod komt. Ik heb haast en moet nog van alles voor onze vakantie regelen.

Haar koffer pakken we nu alvast in. Ik neem ’m mee naar huis. Preventie. Laat ik hem daar achter, dan hangt de volgende ochtend alles weer in de kast. De avond voor vertrek slaapt mijn moeder bij ons. Voor we in bed duiken, verf ik haar uitgroei en trek haartjes uit haar kin. Ik knip zelfs nog wat neusharen bij. Mijn moeder doet zelf de finishing touch: een vleugje lippenstift.

Onderweg

“Waar gaan we eigenlijk heen?” vraagt mijn moeder als we in de taxi stappen. We gaan naar Schiphol. De hele weg kijkt ze uit het raam. Voor we de douane doorgaan, check ik nog één keer haar handtas. Met de vakantie van twee jaar geleden in mijn geheugen gegrift. Of mijn moeder haar tas even wilde omkeren. Vijftien schaartjes in alle soorten en maten rolden eruit. Die verontwaardiging, dat ze die niet terugkreeg! Dit keer onderschep ik twee exemplaren.

De vliegangst van vroeger is verdwenen. Onbevangen als een kind gaat ze het avontuur aan. Dit keer duurt de vlucht maar twee uur. De kans dat ze moet plassen, is klein. En als ze toch echt wél naar de wc moet, spreken we af dat ze de deur niet op slot draait. Ik sta op wacht. “Mocht ze de deur op slot doen, geen nood. Kinderen halen we er ook weleens uit”, lacht de sympathieke stewardess.

De daling zet in. Mijn moeder vindt het prachtig. “Zo dit was een leuk uitje. Ben ik op tijd terug voor het eten?” vraagt ze eenmaal geland. De jongens vertellen haar lachend dat we in Split zijn en de veerboot naar het eiland Brac nemen. “Waar gaan we wonen dan?”

We ‘wonen’ in een huis midden in het dorp Supetar. Mijn moeder denkt dat het ons nieuwe permanente thuis wordt. Een beetje krap vindt ze het wel.

We delen de slaapkamers in: de jongens samen, ik wil eigenlijk op de bank voor nog een beetje privacy, maar besluit het tweepersoonsbed met mijn moeder te delen. Ze vindt het fijn als ik in de buurt ben. Mijn moeder pakt haar koffer uit. En ook weer in. Alles samen in een kast hangen, geeft discussie, want dan zijn die kleren van haar. Tot ik ze voor haar hou en laat zien dat ze er echt niet in past. “Ik word ook een dagje ouder. Kan niet alles meer onthouden hoor”, excuseert ze zich lachend. Een minuut later vis ik ‘haar’ – mijn – jurk uit haar koffer. Mijn kleren laat ik in een open koffer in de hal zitten.

En dan: vakantie

Elke avond eten we laat in het dorp. Voor de vorm schuiven we een menukaart mijn moeders kant op. “Wat nemen jullie?” vraagt ze onzeker. Ze kijkt de eetkunst af. Neemt wat wij bestellen, begint pas als wij beginnen. Pannenkoeken is het enige wat spontaan in haar opborrelt. En ijs. Haar ogen stralen. Als ze merkt dat wij voor ‘echt’ eten gaan, kiest ze voor de veilige optie: “Zeg jij het maar.” Ze aapt mij na. Na drie van die echte avondmaaltijden, staat voor de rest van de vakantie pannenkoeken en ijs op het menu.

Tegen middernacht lopen we terug naar huis over een wat steile weg. Mijn moeder in de geleende rolstoel van het plaatselijke bejaardenhuis krijgen, is een crime. Ze kan nog prima lopen; ook die heuvel op, meent ze. Halverwege, zwaar hijgend, geeft ze zich gewonnen. Jongste duwt haar omhoog in het kader van zijn krachttraining. Oudste toont zich ook van zijn beste kant, en wil haar voortaan wel naar beneden rijden.

Angstige nachten

’s Nachts schrikt ze elke keer wakker als ik me omdraai in bed, even naar de wc ga of wat te drinken pak. “Waar ga je heen?” komt er angstig uit. Bijna van minuut tot minuut begeleid ik haar. Elke ochtend en avond vraagt mijn moeder wanneer we weer teruggaan. Vanaf dag één. Want we zitten hier nu ‘al maanden’. Tien dagen vakantie maakt haar voor het eerst onrustig. Ze geniet van de excursies, het strand, uit eten gaan, haar kleinzonen, maar mist haar veilige haven. Vorig jaar kreeg ze niet genoeg van het dansen en flirten met de Turkse obers. Geen avond sloeg ze over. Tot diep in de nacht leerde ze hen stijldansen. Mijn moeder wilde helemaal niet naar huis. Sterker, we konden er wel gaan wonen! Nu is ze stiller. Ze vindt het fijn om samen te zijn, maar wat we nu precies op het eiland Brac doen, dringt niet echt tot haar door. Verdrietig word ik er niet van. Ik glimlach om al die mooie, grappige en ontroerende momenten.

Veilig aan boord

“Blijven we hier nu voorgoed wonen?” Nog een paar daagjes en dan gaan we naar huis, laat ik mijn moeder weten. Waar dat is, weet ze niet, toch haalt ze opgelucht adem. Maar eerst hebben we nog een leuke excursie in petto: een dagje varen met een speedboot, inclusief schipper. Andere eilanden bekijken en zeegrotten bezichtigen. Leuk, maar mijn moeder maakt zich zorgen over haar thuiskomst. Want: hoe gaan we in godsnaam al die meubels, tv en koelkast meekrijgen?

De speedbootexcursie is het hoogtepunt van de vakantie. Mijn zonen verklaren me voor gek dat ik dát met oma ga doen. Allereerst: hoe komt ze in die boot, én: ze kan niet meer zwemmen. Ik zie geen beren op de weg; de eigenaren van de boot ook niet. Die zien de euro’s – Kroatische kuna – rollen, maar maken het waar. Mijn moeder komt veilig aan boord en krijgt een ereplekje naast de schipper. Ze is in haar nopjes. Mijn zonen relaxen zichtbaar. Nog maar één probleem te overwinnen: hoe krijgen we haar in een zwemvest? Want ze kan zwemmen, denkt ze. Je denkt toch zeker niet dat zij als enige van die hele boot, tien man, een zwemvest aantrekt? Zin in gekibbel heb ik niet en ik laat het maar zo. Ze geniet met volle teugen. ’s Avonds moet ik het nog wel een keer horen: zij kan écht wel zwemmen.

Weer thuis

“Wanneer gaan we nou op vakantie?” vraagt mijn moeder. Ehm, we zijn net een dag terug uit Kroatië. “O, was het leuk?” vervolgt ze ontwapenend op mijn antwoord. Ja, het was heel leuk. En dat herinnert me eraan dat ik snel een fotoboek moet maken. Zonder herinnert ze zich niets, mét weet ze dat vakantie staat voor reuring, uit eten gaan, dansen met obers, strand, zon, varen; plezier. ‘Dit was de laatste vakantie met oma samen’, heb ik vaker gezegd. Het is bijzonder, superleuk, maar soms ook zwaar. Toch zwicht ik steeds weer. Nu denk ik weemoedig: was dit was écht onze laatste vakantie samen? Nah, een midweekje aan de Noord-Hollandse kust misschien?